Stottertherapie

Onze aanpak: stottertherapie op maat

De logopedist-stottertherapeuten in onze praktijk hebben een aanvullende opleiding in stottertherapie gevolgd. De logopedist-stottertherapeuten zijn lid van de Nederlandse Vereniging van Stottertherapie en staan ingeschreven in het European Fluency Register.

Een goede stottertherapie richt zich zowel op de buitenkant van het stotteren (dat wat je kan horen en zien tijdens het spreken) en op de binnenkant van het stotteren (dat wat iemand die stottert denkt en voelt). Afhankelijk van de wensen en mogelijkheden van de persoon die stottert of de ouders van een kind dat stottert stellen wij een behandelplan op. Iedereen is verschillend en iedere manier van stotteren is anders. Wij houden ons in onze aanpak aan de aanbevelingen die worden gedaan in de wetenschappelijke Richtlijn Stotteren bij kinderen en adolescenten.

We integreren verschillende werkvormen in de therapie, aangepast aan de individuele behoefte van de cliënt. Bij jonge kinderen wordt de directe omgeving nauw bij de behandeling betrokken, ouderbegeleiding vormt een vast onderdeel van de therapie.

Om  belemmerende emoties en gedachten rond stotteren te verminderen, wordt op de praktijk gebruikt gemaakt van elementen uit ACT (Acceptance Commitment Therapy), cognitieve gedragstherapie en systemisch werk. Een brede kijk, waarbij ook een tafelopstelling als ondersteuning ingezet kan worden. Dit kan in zowel de ouderbegeleiding toegepast worden als in het  direct werken met oudere kinderen en volwassenen. Bij een tafelopstelling maken we gebruik van figuren of blokjes die een plek op tafel krijgen. Het stotteren zelf of de vraag rond stotteren wordt op deze manier in een beeld uitgedrukt, visueel gemaakt. Dit beeld kan ondersteunend zijn om tot nieuwe inzichten te komen rondom de hulpvraag. Een voorbeeld uit de praktijk:

‘Mag ik iets uitproberen?’ zeg ik tegen mijn cliënt (39 jaar) en ik pak de blokjes op tafel. ‘Kun je een blokje voor jezelf en een blokje voor het stotteren uitzoeken?’. Het blijft een tijdje stil. Dan zegt ze: ‘ Ik denk dat mijn stotteren veel groter is dan ik.’ Ze pakt twee blokjes en zet die voor zich neer. Als ik haar vraag het blokje dat ze voor zichzelf heeft uitgekozen een plek te geven op tafel en hetzelfde te doen voor het stotteren, ontstaat er het beeld zoals op de foto. ‘Ik wil de wijde wereld inkijken, maar het stotteren staat in de weg. Het beperkt me wel. ’ Er volgt stilte. En verdriet. Ze is geraakt over de impact die het stotteren op haar leven heeft. We kijken samen naar wat er voor haar verandert als het stotteren haar aankijkt en er iets meer afstand is. Ik laat haar contact maken met het blokje dat voor haarzelf staat. Ze merkt een bereidheid om haar stotteren aan te kijken. Ik laat haar contact maken met de stotter. Verwonderd kijkt ze me aan en zegt: ‘de stotter begrijpt niet waarom die er niet mag zijn. En hij vraagt zich af waarom ik hem zo groot maak’.

Daarnaast proberen wij geen verwachtingen te wekken die niet waar te maken zijn. Bij (jonge) kinderen is het mogelijk dat het stotteren helemaal overgaat. Bij volwassenen is dit vaak niet meer mogelijk maar een aanzienlijke verbetering van het spreken en minder angst om te spreken is in de meeste gevallen wel mogelijk.